Als een aap op de rots

In veel beleidsnota’s wordt er gewezen op het belang van en de wens naar een levendige en uitnodigende openbare ruimte. Zeker bij de stedelijke beleidsmakers heerst het ideaal van de straat als de ontmoetingsplaats, aangezien een bruisende openbare ruimte wordt geassocieerd met de aantrekkelijke energie van de stad. Ze willen weer dat de openbare ruimte het terrein wordt van openheid, levendigheid en toegankelijkheid, waar mensen kijken en bekeken worden, waar spontane creatieve uitbarstingen plaats vinden, waar mensen nieuwe ervaringen opdoen, waar kennis en opvattingen gedeeld worden, waar onverwachte ontmoetingen met exotische geuren en onbekende klanken plaatsvinden, waar mensen leerzaam met elkaar kunnen botsen, waar emotionele banden worden gelegd met vreemden of verdiept worden met bekenden, en waar een gemeenschap vorm krijgt. Hajer en Reijndorp (2001) noemen dergelijke interactieve en levendige ruimtes publieke domeinen. Deze publieke domeinen hoeven niet per se openbare ruimtes te zijn, maar de ideale openbare ruimte is wel een publiek domein.

Hoewel er veel verwachtingen zijn van de openbare ruimte als publiek domein, staat het ideaalbeeld volgens sommige wetenschappers op gespannen voet met de werkelijkheid.

Volgens hen leidt ruimtelijke nabijheid tussen uiteenlopende groepen er niet per se toe dat de betrokkenheid tussen deze groepen versterkt wordt (Veldboer 2010 en Putnam 2007). Sterker zelfs, sommige sociologen betogen juist dat ruimtelijke nabijheid van sociale klassen en etnische groepen tot spanning en onderlinge morele distantiering van mensen in de samenleving leidt. Bovendien komt volgens Hajer en Reijndorp (2001) het ideaal van de openbare ruimte–als een plaats waar mensen moedwillig samenkomen om in contact te komen met vreemden en hiermee van gedachten, opvattingen en kennis wisselen – nauwelijks voor, omdat mensen in multiculturele steden ontwijkend en selectief gedrag vertonen. Stadsmensen hebben in hun leven zoveel diversiteit om zich heen dat ze selectief worden in hun bestemmingen

(Simmel 1969 [1903]). Hierdoor ontstaan er parochiale domeinen in de stad waar geestverwanten elkaar kunnen ontmoeten. Lofland de nieert parochiale domeinen als: plaatsen die weliswaar openbaar toegankelijk zijn, maar duidelijk de ruimte vormen van een bepaalde groep (1973: 130). In deze parochiale domeinen worden de wensen, belangen en cultuur van de desbetreffende clustering van geestverwanten dominant, waardoor er sprake is van toe-eigening van de ruimte door de dominante groep en in- en uitsluiting op basis van normen en waarden van de dominante groep. Dat de openbare ruimte voor iedereen in principe toegankelijk en open is, hoeft dus nog niet te zeggen dat er geen regels zijn of dat de openbare ruimte te allen tijde door iedereen gebruikt wordt en dat iedereen zich er thuis voelt. Vaak is de openbare ruimte speciaal ingericht voor een bepaalde groep mensen, of is er een groep mensen die de openbare ruimten zich toe-eigent. De parochialisering van openbare ruimtes, de toe-eigening voor of door bepaalde groepen, wordt vaak als een belangrijke oorzaak bestempeld voor het verval van de openbare ruimte (Hajer en Reijndorp 2001: 85). Maar volgens Hajer en Reijndorp hoeft parochialisering niet per se het verval van de openbare ruimte te betekenen. Wat er meestal gebeurt is dat mensen kennis opdoen van andere culturen en subculturen, doordat ze in het dagelijks leven openbare ruimtes kruisen die zijn toegeëigend door andere parochies. Om er voor te zorgen dat verschillende maatschappelijke groepen daadwerkelijk met elkaar in contact komen, verbroederen en een gemeenschap vormen, is het daarom nodig om situaties te creëren waarbij diverse parochiale domeinen samenkomen in de openbare ruimte onder een gemeenschappelijk doel. Op deze manier zouden mensen van diverse afkomst en achtergrond samen komen in micro- parochiale domeinen, binnen een overkoepelend parochiaal domein. Volgens Hajer en Reijndorp, en Van Stokkom zijn gastvrije parochiale domeinen – dat wil zeggen, overkoepelende parochiale domeinen die toegankelijk en open zijn om een diversiteit aan micro-parochiale domeinen te herbergen – optimaal om diverse groepen mensen thuis te laten voelen in de (semi)-openbare ruimte en zo te laten slagen als publiek domein. Op deze manier worden namelijk de sterke kanten van parochiale domeinen benadrukt. Gastvrije parochiale domeinen worden vaak als prettig ervaren, omdat hierin aan de ene kant een bepaalde vorm van gastvrijheid en intimiteit heerst, en aan de andere kant er toch bepaalde gedragsrichtlijnen aanwezig zijn die een grotere mate van zelfbeheersing en overeenkomstig gedrag vereisen. Gastvrije parochiale domeinen bieden bezoekers op deze manier een vertrouwde en beschermde omgeving, waarin gasten zich geprikkeld voelen om op alle gemak rond te neuzen en tegelijkertijd een positieve verplichting voelen elkaar amicaal te bejegenen. Te veel gedragsrichtlijnen zorgt ervoor dat bepaalde groepen mensen zich er niet thuis voelen en te weinig gedragsrichtlijnen kan voor conflict zorgen tussen mensen van uiteenlopende afkomst en achtergrond omdat de culturele verschillen te groot zijn.

Kortom, mensen in de stad zijn door de overdosis aan diversiteit selectief geworden en pendelen daarom a la carte van het ene parochiale domein naar het andere. In deze parochiale domeinen wordt de ruimte door één dominante groep toegeëigend. Het proces waarbij een ruimte wordt toegeëigend en er zo een parochiaal domein ontstaat, is al erg interessant, maar het idee van Hajer en Reijndorp waarbij uiteenlopende groepen onder een gemeenschappelijk bindweefsel samenkomen in een gastvrij parochiaal domein maakt het nog interessanter. Want parochiale domeinen ontstaan juist bij gratie van homogeniteit. Parochiale domeinen ontstaan omdat mensen gesegregeerd willen leven, en omdat een relatief homogene groep ergens dominant is en zo de ruimte kan veroveren. Wat gebeurt er als uiteenlopende groepen samenkomen om een stukje van de ruimte te veroveren? Hoe werkt het proces van toe-eigening in een heterogene omgeving? Zullen de uiteenlopende groepen elkaar in het proces van toe- eigening ontwijken, net als in de stad als geheel het geval is? Levert de ruimtelijke nabijheid van mensen met een andere afkomst en achtergrond vooral spanning en conflict op, zoals sommige theorieën aangeven? Of, creëert dit inderdaad een succesvol publiek domein – zoals Hajer en Reijndorp verwachten en beleidsmakers hopen–waar uiteenlopende groepen samen de ruimte veroveren, integreren, een gemeenschappelijke thuis creëren en elkaar cultureel verrijken?

In dit essay zal ik antwoord geven op deze vragen door kinderbouwspeelplaats ’t Landje als casus te gebruiken, en deze te analyseren aan de hand van klassieke ecologische theorieen uit de Chicago school en moderne theorieen over processen van in- en uitsluiting. Ik hoop hiermee meer inzicht te kunnen bieden in hoe en met wie ruimtes en materialen worden toegeëigend, hoe gastvrije parochiale domeinen functioneren, en hoe succesvolle publieke domeinen tot stand gebracht kunnen worden. Inzicht over deze vraagstukken, kunnen bijdragen aan het oplossen van de maatschappelijke behoefte naar meer integratie en algemeen thuisgevoel in het publieke leven.